Portrait Harmonica familie

Portret van de harmonikafamilie

Voornaamste kenmerken

Het hoofdkenmerk van al deze instrumenten is het principe van de doorslaande tong. Een toon word gevormd door met behulp van lucht een metalen veer, die aan ??n uiteinde vastzit (de tong), in trilling te brengen.
Een tweede kenmerk is, dat in de benodigde lucht wordt voorzien met behulp van een met de hand in beweging gebrachte windbalg.
Een derde belangrijk punt is het feit dat sommige harmonica's diatonisch
zijn en andere chromatisch.
Een harmonica is diatonisch als er alleen de "gewone" tonen van een toonladder opzitten. Dus geen verhoogde of verlaagde (halve) tonen.
In het geval van de toonladder van C wordt dat: C D E F G A B C,
en niet : C CIS/DES D DIS/ES F FIS/GES G GIS/AS A A?S/BES B C.
Zo'n gewone toonladder heet: diatonische toonladder.
De tonen zijn op de (wisseltonige) harmonica (trekzak) steeds zodanig geordend, dat de
grondtoon ( C ) en de daarbij horende akkoordtonen, de terts (E) en de kwint (G) alleen klinken bij duwen en de overige tonen van de ladder alleen bij trekken.

KNOP

3

4

5

6

DUWEN

C

E

G

C

TREKKEN

D

F

A

B



Historische ontwikkeling

Het systeem van de doorslaande tong is al jaren voor onze jaartelling toegepast in het Chinese instrument "Sjeng". Een soort mondharmonica.
In Europa doet dit systeem pas zijn intrede in de 19e eeuw. Het is niet duidelijk of het is afgekeken van de Chinezen of dat het opnieuw is uitgevonden.
In 1821 maakte de Duitser Christian Buschmann de mondaeonine.
Een soort mondharmonica. (Aeolos is in de Griekse mythologie de god
van de wind).
In 1822 bouwde zijn broer Eduard op hetzelfde principe een handaeoline.
De luchtstroom werd niet meer via de mond geproduceerd maar met behulp van een windbalgje.
Ook kreeg het instrument knoppen.

De Wener Cyrillus Damian (1772-1847) voegde aan dit diatonische instrument met windbalg een belangrijk nieuw principe toe en liet het geheel patenteren als "Accordion".
Nieuw was dat hij links grondbassen bouwde ?n geprogrammeerde akkoorden, d.w.z. hij bracht de tonen van de drieklank (akkoord) op de grondbas (bijv. C-E-G) onder ??n knop. Door die knop in te drukken kon men dus een akkoord laten klinken; vandaar de naam accordion.

De melodeon (eenrijer)

De melodeon heeft aan de melodiekant (rechts) 10 knoppen (20 tonen).
De melodietonen zijn gebaseerd op een diatonische toonladder.
Aan de baskant (links) zitten twee kleppen; een voor de grondbassen (duwend en trekkend verschillend) en een voor de daarbij behorende akkoorden.

De harmonika

Rond 1875 ontstaan uitgebreidere varianten op de melodeon. Men gaat de mogelijkheden van het instrument vergroten. Op de melodiekant komt een tweede (later een derde, vierde en zelfs vijfde) rij knoppen. Ook die nieuwe rij is gebaseerd op een diatonische toonladder.
Het verschil tussen de toonladder van de eerste rij en die van de tweede
(en volgende) rij is steeds een "kwart" (vier toonsafstanden).
Dus als de buitenste rij is gebaseerd op de toonladder van C, dan is de binnenste rij (van een tweerijer) gebaseerd op de toonladder van F.
De bas en de akkoordknoppen worden dienovereenkomstig uitgebreid tot 8
(later tot 12, 16 enz).
Daardoor wordt het mogelijk eenvoudige modulaties uit te voeren, of zoals de muzikanten (speelmannen) zeggen "over te gaan" van de ene toonsoort naar de andere.
Talloos zijn de benamingen voor de groep harmonika's met twee (of meer) rijen: Ziehharmonica, Handharmonica, diatonic accordion, button box, monika, trekbuul, trekzak en vele vele meer.


De Steirische harmonika

Een opvallende variant van de harmonica is het Oostenrijks type, de
"Steirische Harmonica", meestal kortweg "Steier" of "Wiener" genoemd.
Dit type wordt gemaakt met 3 tot 5 rijen aan de melodiekant en 8 tot 19 basknoppen. Het meest karakteristiek zijn de diepe, tuba-achtige klank van de grondbassen (de zgn. Helikonbassen), en de kast die met veel metalen beslag (bij de bassen o.a. in de vorm van trompetjes ) letterlijk schitterend is uitgevoerd. De Wieners zijn in ons land vooral populair in Limburg, waar ze destijds waarschijnlijk zijn ge?mporteerd door mijnwerkers uit Oostenrijk, Joegoslavie en Tsjechoslowakije.


De lepelbasser

Kenmerkend voor de lepelbasser is de bijzondere uitvoering van de baskant.
Alle "knoppen" zijn daar uitgevoerd als kleppen, die de vorm van een lepel hebben. Bovendien is hun ordening symmetrisch: alle grondbaskleppen op de onderste helft en alle ermee korresponderende akkoordkleppen op de bovenste helft. Een kenmerk voor het meest voorkomende type, de lepelbasser met 10 lepels, is bovendien dat er geen mineurakkoorden opzitten.


De concertina

De Engelsman Charles Wheatstone (1802-1875) kreeg in 1829 patent op een instrument dat aanvankelijk het "symphonium" werd genoemd, maar later de naam "concertina" kreeg.
Het instrument werd op het Europese continent pas bekend na 1846. Kenmerkend voor de Engelse concertina is, dat hij chromatisch is.
Omstreeks diezelfde tijd (1834) bouwde de Duitse klarinettist Carl Friedrich Uhlig een primitiever instrument de "Konzertina", die diatonisch was.
Karakteristiek voor dit instrument en zijn opvolger de "bandonion" is verder dat de tonen op de baskant niet geprogrammeerd zijn in akkoorden, maar dat elke knop een enkelvoudige toon laat horen. Het instrument kent dientengevolge twee speelwijzen:

  • Alleen melodie: links (de baskant) het lage oktaaf en rechts het hoge oktaaf.

  • Rechts de melodie - links de akkoordbegeleiding.
    De akkoorden worden dan gevormd door verschillende combinaties van telkens 3 knoppen.

Tegenwoordig onderscheiden we:

  • De Engelse concertina. (heeft een chromatische toonomvang van 3.5 - 4 en 4.5 oktaaf)

  • De Duitse concertina. (is diatonisch en te bespelen in twee toonaarden)

  • De Engels-Duitse concertina. (het Duitse type, maar uitgebreid met chromatische halve tonen)

De bandonion

Het instrument dankt zijn naam aan Heinrich Band (1812-1860).
Deze musicus uit Krefeld (D) bracht een aantal wijzigingen aan bij de concertina van zijn tijd; hij gaf het instrument een vierkante vorm, bracht klankkamers aan en gebruikte andere materialen. Zo ontstond een instrument met een eigen, van de concertina afwijkend, klankkarakter.
Wel bleven de hoofdkenmerken gelijk aan die van de Duitse concertina: diatonisch en geen geprogrammeerde akkoorden. De hedendaagse bandonion is een vrij groot instrument. Met de balg helemaal open is de spanwijdte ongeveer 1.50 meter. De melodiekant heeft een omvang van 74 tonen (47 knoppen). De baskant heeft 70 tonen (35 knoppen).
De bandonion is zeer populair in Latijns Amerika (tango-orkesten).


De (het) accordeon

In 1850 bouwde de Weense musicus Walter een chromatisch instrument.
Al snel (vanaf 1852) worden er ook types gebouwd waarbij de knoppen aan de melodiekant worden vervangen door het toetsensysteem van andere instrumenten: het zgn. pianoklavier.
Het voornaamste kenmerk van de accordeon is dat hij chromatisch is. Ook is hij niet "wisseltonig"; er zit, in tegenstelling tot de harmonica, bij het induwen en uittrekken van de balg dezelfde toon onder een knop.
Er zijn grote verschillen in kwaliteit en (toon)-omvang. Een professionele accordeon heeft 45 melodietoetsen (pianoklavier) of knoppen (knopaccordeon)
en 140 knoppen aan de baskant.
De geprogrammeerde akkoordtypes aan de baskant zijn dan:
majeur, mineur, domintantseptiem, verminderde en overmatige drieklank voor alle toonsoorten. Bovendien zijn er zowel op de melodiekant als op de baskant meerdere registers.

boek2-2-2
"TWEESTEMMIG"

Tweestemmig leren spelen.

"Gezelligheid kent geen tijd"

De naam zegt het al; gezellige deuntjes.
 

."Over de zoute zee"

Zeemansliedjes (shanties),
allemaal voorzien van tekst.

boek5.jpg
"Amsterdammertjes"

In deze uitgave vindt u een verzameling van 23 liedjes, met als gemeen- schappelijke factor: Amsterdam